WC tlupt - Het savelsbos


Wandelen in en om het savelsbos

savelsbos.jpg

In de hellingbossen bij Gronsveld is het prachtig wandelen. De tocht gaat veel op en neer over holle wegen en smalle paden, af en toe is het steil. De fruitbomen in de boomgaarden aan de rand van het bos zijn in voor- en najaar erg mooi. Het savelsbos is bezaaid met prachtige bloementapijten. Hieronder staan enkele soorten beschreven, die we tijdens onze tocht van 5 april gezien hebben. Onze gids was Jacques Vriens, die hier in de buurt woont en meesterlijk kan vertellen over de geschiedenis en bijzonderheden in het landschap. (www.jacquesvriens.nl)

Hoe kom je er: Gronsveld ligt vlak onder maastricht, bereikbaar met de bus of via de A2 richting Luik afslag Gronsveld.

Mooie beschrijvingen vindt je bij Wandelvereniging "VIA-VIA"

Het Savelsbos

savelsbos-2.jpgHet Savelsbos is een van de weinige restanten hellingbos van ons land. Op de oostelijke oever van het Maasdal strekt het zich uit als een gordel van struwelen en loofbossen. Het bos is zeer smal: soms maar 100 meter breed. De hoogte varieert tussen 60 en 135 meter. De bodem is een mozaïek van löss-, grind- en krijtbodems: soms komt het krijt zelfs aan de oppervlakte. Door die afwisseling is de plantengroei bijzonder gevarieerd. De bodem is droog en het water vloeit weg via holle wegen en droge dalen. Kenmerkend voor het savelsbos zijn de zogenaamde grubben. Dat zijn kleien erosiegeulen op steile hellingen, die alleen bij hevige regenval als beken fungeren. Sommige grubben zijn zeer diep ingesleten en steil.

Grub

Het Savelsbos bestaat vrijwel volledig uit loofbos. Het merendeel van het bos heeft een leeftijd van 40 tot 80 jaar. Vegetatiekundig behoren de bossen tot het kalk-beukenbos en het parelgras-beukenbos. Het huidige beheer van Staatsbosbeheer is zeer extensief. Er wordt nauwelijk nog hout geoogst. In een paar stukken bos is weer hakhoutbeheer ingevoerd. De bomen die met de hevige storm van februari 1990 omgingen, heeft men laten liggen. Het mooiste deel van het Savelsbos is de schone grub. Deze grub is vrijwel ontoegankelijk door het vele dode en halfdode bomen die over en in de grub hangen. Het bos wordt niet begraasd door paarden, runderen of edelherten.

Flora en fauna

Bomen
Zomereik, beuk, es, ruwe berk, spaanse aak, wintereik, esdoorn, zoete kers, haagbeuk, winterlinde, wilde peer, ruwe iep en Hollandse iep.

Struiken
Lijsterbes, hazelaar, bosroos, rode kamperfoelie, Gelderse roos, framboos, rode kornoelje, wilde kardinaalsmust, rood peperboompje, mispel

Kruiden
Gele dovenetel, gele anemoon, salomonszegel, bosrank, bosanemoon, bosviooltje,arondskel, hop, klimop, lievevrouwbedstro, slanke sleutelbloem en ruig klokje

Zoogdieren
De das is met maar liefst 20 burchten aanwezig. Andere roofdieren zijn steenmarter, bunzing, hermelijn, vos. Bijzonder zijn eikelmuis en vele soorten vleermuizen.

Broedvogels
Wespendief, havik, sperwer, buizerd, torenvalk, kleine bonte specht, ransuil, bosuil, appelvink, wielewaal

Als u in het vroege voorjaar door de eerste lentezon naar buiten wordt gelokt, zult u ongetwijfeld uw blik over uitgestrekte weiden laten dwalen op zoek naar kleuren tussen het nog geelgroene gras. Koeien staan zo vroeg in het voorjaar nog niet in de wei als pinksterbloemen spaarzaam bijeen hun witte of witroze bloemen tentoonspreiden. De pinksterbloem is op veel plaatsen aan het verdwijnen. In vroeger tijden kleurden pinksterbloemen vochtige laagveengebieden wit, tegenwoordig moet je ernaar zoeken.

De pinksterbloem, Cardamine pratensis, is een soort veldkers; pratensis betekent "in het veld voorkomend". Kenmerkend voor dit geslacht is, dat rijpe zaden bij aanraking wegschieten. Dat is in mindere mate van toepassing op de pinksterbloem. Die laat zijn zaad gewoon vallen. De reden dat de pinksterbloem aan het verdwijnen is, heeft vooral te maken met milieuomstandigheden: de nodige biotoop - een vochtig veenachtige of leemachtige ondergrond, die niet wordt verstoord door (over)bemesting - wordt steeds schaarser. De veldkers behoort tot de familie van de Brassicaceae (Cruciferae). De pinksterbloem komt voor in Groenland, het noorden van het Amerikaanse continent, grote delen van Europa en het noorden van Azië.

Een pinksterbloem is bepaald geen plantje, dat je zomaar even bij een tuincentrum koopt. Het is meer een plant, die door liefhebbers van een natuurlijke vegetatie kan worden aangeplant langs de randen van natuurlijke vijvers en in vochtig bos. Speciale kwekerijen kunnen planten of zaad leveren. De gekweekte soort "Floro Pleno" is redelijk goed verkrijgbaar. "Pinksterbloem" doet veronderstellen, dat de bloei gelijk valt met Pinksteren, maar meestal is de plant dan al vrijwel uitgebloeid. Het is wel een van de eerste (wilde) planten, die zich bloeiend in het voorjaar aandient. Globaal bloeit de pinksterbloem vanaf begin april tot in juni. De bloemen staan in overwegend witte trossen, maar ook lila, paarswit, purper of violet komt voor.

De stervormige bloem van de pinksterbloem bestaat uit vier kroon- en kelkbladen. Ze staan symmetrisch en radiaal op een steeltje. In het midden staan zes meeldraden, die de stijl met twee stempels omgeven. De bladvorm is veervormig oneven, ze staan verspreid langs de stengel of in rozetvorm. Een pinksterbloem groeit uit een wortelstok en is overblijvend.
De plant wordt tot dertig centimeter hoog en steekt met zijn bloemen net boven de gemiddelde hoogte van het grasland uit. Tegen de avond sluiten de kelkbladen zich en buigen de bloemen het moede hoofd. Tegen het krieken van de dag ontwaken de bloemen weer langzaam uit een diepe slaap.

Ficaria verna

Wilde speenkruid koop je niet in een potje in een kwekerij. De plant is inheems in Nederland, Europa en het westen van Klein-Azië. Op vochtige plaatsen - het liefste onder een open vegetatie met struiken - komt speenkruid voor. In het voorjaar zijn er tapijten met donker glanzende, groene blaadjes te zien. In maart is de plant overdekt met tere, fel donkergele bloemen. Op een landgoed misstaat zo"n fris voorjaarstapijt niet. Gelukkig zijn er ook gekweekte soort
Wie speenkruid spontaan gegroeid in de tuin heeft staan, heeft er een tijdelijk mooie bodembedekker aanen te koop.Speenkruid (Ficaria verna) groeit op vochthoudende grond en het liefste op een plaats met weinig felle zon. De wilde soort heeft de neiging om te woekeren. Gekweekte soorten zijn brave planten; ze blijven op hun plaats en dijen nauwelijks uit. De bloem van wilde speenkruid lijkt op een boterbloem, maar er zijn meer gele kelkblaadjes aan de bloem dan aan die van de boterbloem. Als botanische geslachtsnaam van speenkruid wordt ook vaak Ranunculus gebruikt. Hoe het ook zij, de plant behoort tot de ranonkelachtigen (Ranunculaceae).

Speenkruid breidt zich niet uit met worteluitlopers. De plant wordt niet hoger dan acht centimeter. In de bladoksels zitten (soms) kleine knolletjes. Als die op de grond vallen, groeit hieruit weer een nieuw plantje. Tussen de wortels bevinden zich langgerekte wortelknolletjes, waarin voedsel wordt opgeslagen om te overleven. Bloemen worden door veel insecten bezocht. Wanneer de bloem is bevrucht, komen er later zaden, die ook voor vermenigvuldiging zorgen. In juni sterven de bovengrondse delen van speenkruid.

Pas in het voorjaar wordt alles boven de grond weer zichtbaar.